The Breeders: “Pod” (1990)

The_Breeders_Pod

Uit de hand gelopen hobbyclubje

Soms berust de geschiedenis louter op toeval. En dat is in de rockmuziek niet anders. Hadden het immens populaire Pixies en gelijkgestemde zielen van Throwing Muses in 1989 niet gezamenlijk door Europa getoerd, dan was er van The Breeders allicht nooit sprake geweest. Wij danken de Heer nog steeds elke dag dat beiden bands die meesterlijke beslissing namen destijds.

Met de release van hun tweede full album Doolittle in 1989 stijgen Pixies wereldwijd uit tot één van de meest populaire alternatieve rockbands van hun tijdsgeest. Voor het Europese luik van hun tour, neemt de band het onvolprezen Throwing Muses in hun zog mee op de baan. Het is het begin van een sterke vriendschapsband tussen Kim Deal en de piepjonge Muses- gitariste Tanya Donelly, die niet enkel in de coulissen stevige drinkmaatjes worden, maar ook na optredens het nachtleven van de steden waar de tournee op dat ogenblik halt houdt met plezier gaan verkennen. Wanneer Black Francis na een slopende tour eind 1989 tijdelijk de stekker uit Pixies trekt en aan zijn solocarrière begint te werken, beslist Deal om eveneens haar eigen songs te gaan uitwerken. Omdat Throwing Muses evenmin directe plannen hebben, besluiten Deal en Donelly om muzikaal nauwer te gaan samenwerken. Aanvankelijk willen ze zich in hun zijproject toeleggen op wat ze ‘organic dance music’ noemen, maar al snel merkt het duo dat die benadering weinig kans op slagen heeft. Deal rekruteert de Britse bassiste Josephine Wiggs van de band The Perfect Disaster voor het project. Beiden hadden elkaar leren kennen toen The Perfect Disaster in het voorprogramma had gespeeld van Pixies in Londen in 1988. Daarnaast voegt, op aanraden van de befaamde producer Steve Albini (die in 1988 Pixies’ klassieke debuutalbum Surfer Rosa had geproducet) ook Slint-drummer Britt Walford zich bij de band (die opereert onder het pseudoniem Shannon Doughton). Deal wou aanvankelijk ook haar tweelingzus Kelley bij de band betrekken, maar door een fulltime job als computerprogrammeur, dient zij aanvankelijk te passen voor een rol binnen de band. Deal stelt de bandnaam The Breeders voor, naar een folkduo dat ze in haar jeugd met Kelley vormde. Ze versieren een platendeal met 4AD Records, waar Pixies op dat moment onder contract liggen. Van medeoprichter van 4AD Ivo Watts-Russell krijgen Deal en Donelly een budget van $ 11 000 om een album op te nemen. Ze contacteren Steve Albini voor de productie en starten de opnames in januari 1990 in de Palladium Studio in Edinburgh, Schotland.

The Breeders releasen hun debuutalbum onder de titel Pod in de laatste week van mei 1990. Op die manier wou Watts-Russell de release niet te dicht laten samenvallen met de release van Pixies’s derde album Bossanova in augustus en beschouwde hij The Breeders als een volwaardig project, wat het op dat moment eigenlijk nog niet helemaal was. Desondanks toont Deal haar potentieel als songschrijfster al meer dan behoorlijk in een aantal intussen klassiek geworden songs als Glorious, Hellbound, When I Was a Painter en Only In 3’s. De band schippert tussen groezelige, lo fi-achtige gitaarrock en folk en levert, mede door de uitstekende productie van Albini, een pareltje binnen de alternatieve rock af. Ondanks de geringe promotie en het ontbreken van ondersteunende singles, groeit hun versie van The Beatles’ Happiness is a Warm Gun uit tot een college radiohit en een publiekslieveling onder de fans. Het album wordt zeer goed onthaald door critici en is voornamelijk in Europa een bescheiden succes. Door de verplichtingen in hun andere bands, keren de leden in 1991 vervolgens terug naar hun oorspronkelijke band, waarmee ze binnen het half jaar allen nieuwe albums opnemen. Het project The Breeders lijkt voorlopig een eenmalig en kortstondig zijproject te zijn van vier muzikanten die tussen hun verplichtingen door vrijblijvend met elkaar samen wilden spelen en met Pod een uitstekende plaat voor de overlevering nalaten. Niets is minder waar, zoals snel zou blijken.

Donelly verlaat eind 1991 Throwing Muses en richt haar eigen succesvolle band Belly op (waarmee ze officieel (mede)oprichter is van drie invloedrijke bands binnen de alternatieve rock). The Perfect Disaster houdt het in 1991 eveneens voor bekeken en wanneer Black Francis begin 1993 per fax meedeelt dat hij Pixies opdoekt, zitten Deal en Wiggs plots zonder band. Deal haalt The Breeders opnieuw vanonder het stof en daar Donelly zich nu fulltime richt op Belly, kan ze haar tweelingzus deze keer wel overtuigen om als tweede gitariste in het project te stappen. Walford, die te weinig tijd overhoudt buiten zijn werk voor Slint past eveneens voor een revival. Deal rekruteert drummer Jim Macpherson en bombardeert The Breeders voortaan als een fulltime band. In 1993 brengt het herboren kwartet de alternatieve rockklassieker Last Spalsh uit als tweede The Breeders-album. De rest is geschiedenis. In datzelfde jaar neemt Kurt Cobian Pod op in zijn inmiddels befaamde lijst met vijftig favoriete albums.

 

 

 

Teenage Fanclub: “Grand Prix” (1995)

Grandprixfanclubalbum

Commercieel hoogtepunt

In het zog van de grunge-explosie en de commerciële doorbraak van de alternatieve rock aan het begin van de jaren ’90, breken niet enkel in de VS hardwerkende indie bands door naar een groter publiek. Ook in het Verenigd Koninkrijk broeit binnen de underground allerlei interessants en dan doelen we niet op de oersaaie vete tussen overroepen bands als Blur en Oasis. Er is de noisepop van The Jesus And Mary Chain en My Bloody Valentine, de catchy gitaarrock van The Wedding Present, de minimalistische lo fi van The Vaselines, de shoegaze van Ride, de dance rock van The Stone Roses, de Britse grungeversie van Ned’s Atomic Dustbin en vele anderen. Eén van de meest ondergewaardeerde Britse alternatieve rockbands uit die periode echter, is ongetwijfeld Teenage Fanclub, het viertal uit Bellshill, Schotland dat puntgave Beatleiaanse pop, loepzuivere Big Star-harmonieën en catchy gitaarsong aan elkaar kruisten. Dag op dag vijfentwintig jaar geleden verscheen hun vijfde album Grand Prix, hun op dat ogenblik grootste commerciële succes in het Verenigd Koninkrijk en hun definitieve doorbraak in Europa.

Met albums als Bandwagonesque (1991) en Thirteen (1993) hadden de heren van Teenage Fanclub zich in het zog van het succes van de Amerikaanse grungebeweging een weg naar een groter publiek gebaand. Door een lucratieve deal met Geffen Records in de VS, kreeg de band aldaar ook meer naambekendheid, maar een echte doorbraak (zoals in Europa) zat er voor de band vooralsnog niet in. Aan een gebrek aan ambitie bij de bandleden lag het echter niet en Teenage Fanclub haalt de grote middelen boven om met de volgende release het grote commerciële succes te boeken. De band huurt de befaamde (en twee jaar geleden helaas te vroeg gestorven) producer David Bianco in om het album te co-producen. In amper een maand tijd neemt het kwartet in de vroege herfst van 1994 zijn vijfde album op in de prachtige The Manor Studio in Shipton-on-Cherwell, waar eerder al grootheden als John Cale, Van Morisson, XTC, Black Sabbath, The Cure en Paul Weller albums hadden opgenomen.

Grand Prix verschijnt eind mei 1995 bij Creation Records in Europa en bij Geffen Records in de VS. Als vanouds verdelen de drie songschrijvers binnen de band ook op dit album weer netjes de geschreven songs. Raymond McGinley blinkt uit in de catchy opener About You en de sprankelende gitaarsong Verisimilitude. Sparky’s Dream, Don’t Look Back, Discolite en Going Places zijn op hun beurt dan weer typische powerpopsongs van de hand van bassist Gerard Love. En de vooruitgeschoven, op een akoestische gitaarriff drijvende single Mellow Doubt, het aanstekelijke en wat knullig getitelde Neil Jung, de met piano, strijkers en blazers opgesmukte ballade Tears en I’ll Make It Clear dragen ontegensprekelijk de stempel van Norman Blake. De verschillende eigenheid die de drie songschrijvers in hun eigen songs leggen, maakt van Grand Prix een gevarieerd, fris en onderhoudend album, dat ook een kwarteeuw na release overeind blijft als één van de beste werkstukken die Teenage Fanclub in hun intussen drie decennia overbruggende carrière hebben gemaakt. Die mening deelden ze in de gespecialiseerde pers destijds evenzeer, want die beschouwen Grand Prix als een terugkeer naar de vorm van de begindagen voor de band, na het wat gemengd onthaalde Thirteen.

Commercieel wordt het de grote doorbraak voor het kwartet in eigen land, alwaar het een eerste top-tiennotering in de hitlijsten scoort, en in de rest van Europa, waar de band het album uitgebreid promoot met een tour, eerst op eigen benen en in het najaar van 1995 in het zog van hun Amerikaanse gelijkgestelde zielen van Buffalo Tom. Desondanks slaagt Teenage Fanclub niet in de groots opgezette ambitie om ook in de VS door te breken en als gevolg daarvan zet Geffen Records de samenwerking met de band begin 1996 stop. Teenage Fanclub blijft in de daaropvolgende jaren wel frequent nieuwe albums uitbrengen, in eerste instantie nog met het nodige succes in het Verenigd Koninkrijk, maar rond de eeuwwissel begint hun populariteit stilaan te tanen. In 2018 besluit bassist Gerard Love, medeoprichter en lid van het eerste uur, om de band na bijna dertig jaar te verlaten.

 

 

 

Grandaddy: “The Sophtware Slump” (2000)

TheSophtwareSlumpCover

Fin-de-siècle- conceptalbum en tijdloos meesterwerk

Dat de technologie sinds het begin van het nieuwe millennium/de eeuwwisseling niet stil gestaan heeft, is als een open deur intrappen. Gadgets die in 2000 als hypermodern werden beschouwd, zijn intussen al lang achterhaald of uit de huiskamer verdwenen. En het is een interessante oefening om eens na te gaan hoe technologie onze levens de voorbije twee decennia heeft beïnvloed en veranderd. Wat in die lange twintig jaar wel als een tijdloos werkstuk overeind is gebleven, is The Sophtware Slump, het tweede full album van Grandaddy, waarop het onvolprezen vijftal op meesterlijke wijze eenzaamheid, verwarring en persoonlijke problemen in een steeds sneller veranderende wereld beschrijft. The Sophtware Slump wordt vandaag twintig: tijd voor een terugblik.

Net als de inhoud van hun albums, nam Grandaddy binnen de alternatieve rock van eind jaren ’90, begin jaren ’00 muzikaal eveneens een bijzondere en vrij aparte positie in. Op hun vroege singles en hun sterk geprezen debuutalbum Under the Western Freeway (1997) verwerkt de band vaak op melancholische wijze verveling, desolatie en eenzaamheid in catchy, meeslepende indie rocksongs met een vleug experiment en elektronische snufjes allerhande. Even typerend voor hun eigenheid is de daarbij horende vreemde vorm van humor en zelfspot, die de toon van de songs luchtig genoeg maakt om hun platen zonder een al te zwaar gevoel van zwaarmoedigheid makkelijk te kunnen uitzitten. Under the Western Freeway wordt dan ook een bescheiden succes, vooral in Europa, alwaar de band (al dan niet in het zog van gelijkgestemde ziel Elliott Smith) doorheen grote delen van 1998 toert. Het levert hen een contract op bij V2 Records, het zusterlabel van Virgin en geesteskind van de Britse miljonair Richard Branson. V2 levert de band hernieuwde middelen op en om de ambities kracht bij te zetten begint Jason Lytle, bandleider en creatief brein, in 1999 te schrijven aan de songs voor een nieuw album. Het idee is een fin-de-siècle- conceptalbum over technologische vooruitgang en hoe mensen zich hierin kunnen verliezen. Lytle, die fan is van bombastische, 70’s classic rockbands als Electric Light Orchestra en The Alan Parson Project en het idee van een conceptalbum bijgevolg niet ongenegen is, trekt zich in de zomer van 1999 op zichzelf terug in zijn veel te hete schuur/homestudio in Modesto, Californië en komt er bij het vallen van de balderen met een resem halve en driekwart ideeën naar buiten. Vervolgens trommelt hij zijn bandmaten van Grandaddy op en in de late helft van 1999 en de vroege winter van 2000 wreken ze een handvol van die ideeën uit in elf nieuwe song en een nieuw album in de Little Portugal Studio in Modesto.

The Sophtware Slump verschijnt eind mei 2000 bij V2 Records en veegt meteen de vrees van tafel als zou Lytle, een man die zich wel eens durft te verliezen in een berg ideeën, het laken te veel naar zich zou hebben toegetrokken. Zijn bandmakkers houden hem heel het album lang strak in het gareel en leveren een fris, gevarieerd en ijzersterk album af. En weerleggen de stelling dat conceptalbums, een woord waar vandaag de dag nog steeds een soort van afkeer op rust, per definitie langdradige, bombastische en saaie platen zouden zijn, waarvan het idee interessanter is dan de muziek zelf. De vooruitgeschoven single The Crystal Lake had al enigszins de gemoederen gerust gesteld. Het is ook twintig jaar later nog steeds de perfecte radiohit: een catchy indie rocker met de typische keyboardriedel, de wat klagerige zang van Lytle, een uitmuntende finale en een tekst over spijt, verloren dromen en een reflectie over de gemiste kansen van het persoonlijke leven. In dezelfde categorie: het onvolprezen Hewlett’ Daughter, dat als tweede single uit zijn plaat verschijnt enkele maanden na release en naast een aanstekelijk refrein kan teren op een stuiterende piano, fluitende synths, zuinige, maar uiterst efficiënte gitaren en een bridge met kletterende drums. Thematisch handelen meerdere songs over de gevaren van technologische evolutie en de eenzaamheid die de mens daarbij kan ervaren. Grandaddy handelt dat thema af met zowel bittere ernst als met gitzwarte humor. De prachtige en trage sleper Underneath the Weeping Willow is eenzaamheid op zijn triests en in de stevige on/off rocksong Broken Household Appliance National Forest klaagt Lytle het dumpen van afgedankte huishoudtoestellen in het bos aan. Jed the Humanoid en de reprise in Jed’s Other Poem (Beautiful Ground) beschrijven op hun beurt dan weer het leven van robot Jeddy 3, die zichzelf de dood indrinkt nadat zijn uitvinders hem negeren en de laatste gedichten die hij achterliet vlak voor zijn dood. Dorian Lysnkey, muziekjournalist bij The Guardian, omschrijft Jed the Humanoid als ‘the saddest robot song ever written’. Maar door het nummer over alcoholmisbruik vanuit het standpunt van een robot en technologie te beschrijven, voegt Lytle tegelijk een bizarre vorm van zwartgallige humor toe aan zijn melancholische en bij vlagen erg sombere songs. Het magnum opus zit wat dat betreft alvast helemaal aan het begin van het album, in de vorm van de majestueuze, bijna negen minuten durende opener He’s Simple, He’s Dumb, He’s the Pilot, een song over een op drift geslagen piloot en één van Grandaddy’s allerbeste songs uit hun carrière.

Reacties op The Sophtware Slump zijn unaniem lovend. Verscheidene critici beschouwen het album als één van de beste platen van het jaar 2000 en het meest creatieve hoogtepunt uit de band’s carrière. Enkele, eerder luie journalisten beschouwen het zelfs als de Amerikaanse versie van Radiohead’s OK Computer, een vergelijking die vooral muzikaal veel te ver gezocht lijkt. Commercieel wordt het een relatief succes met 80 000 verkochte exemplaren wereldwijd in het eerste jaar na release en 107 000 exemplaren in de eerste vijf jaar. Hiermee wordt het zowel op kritisch als commercieel vlak Grandaddy’s meest succesvolle album uit hun carrière. De band zal het album uitgebreid promoten met een tour in verschillende fases, die uiteindelijk tot ver na de zomerfestivals van 2001 duurt. In 2011 brengt de band het album heruit, met extra tracks, outtakes en demoversies van de songs.

 

 

 

 

Luka Bloom: “Riverside” (1990)

R-2869954-1331498930.jpeg

Onverwachtse doorbraak

Vandaag wordt Kevin Barry Moore, beter gekend onder zijn alter-ego Luka Bloom, 65 jaar. Als de tien jaar jongere broer van de gereputeerde Ierse songschrijver en folkmuzikant Christy Moore droomde de jonge Barry van een even succesvolle carrière wanneer hij eind jaren ’70 zijn eerste stappen in de muziek zette. Dat liep niet echt van een leien dakje, met diverse omzwervingen langs onder andere Groningen en de VS in een poging om zijn carrière van de grond te krijgen. Zijn verhaal stevende af op een zoveelste in een rij geflopte Ierse songschrijvers die zijn geluk buiten de grenzen van de heimat ging zoeken. Tot hij dertig jaar geleden plots leek te beseffen dat je als ‘Barry Moore’ de wereld niet verovert, zich de artiestennaam Luka Bloom (een samentrekking van de bekende hit van Suzanne Vega en het hoofdpersonage uit James Joyce’s Ulysses) aanmat en in zijn nieuwe thuishaven New York het album Riverside opnam. De rest is geschiedenis.

Voorafgaande aan de opname van dat album, probeerde Bloom in New York zijn carrière te herlanceren, voornamelijk door veel op te treden in plaatselijke bars en folkclubs. In 1988 nam hij onder zijn nieuwe artiestennaam een titelloos album op, maar die plaat wordt op zijn eigen vraag teruggetrokken vlak na release (waardoor er maar een handvol exemplaren ervan in omloop zijn geraakt). Doorheen grote delen van 1989 schrijft hij nieuwe songs en treedt hij quasi het hele jaar door solo op op diverse locaties in New York. Tijdens één van die performances wordt hij ontdekt door talentenscouts van Reprise Records, waar hij enkele dagen later een contract tekent. In de late helft van 1989 neemt Bloom in New York een nieuw album op, dat in maart 1990 verschijnt bij Reprise Records onder de titel Riverside. Het wordt, aan de vooravond van zijn 35e verjaardag, een onverwachte doorbraak.

Op Riverside hanteert Luka Bloom voor het eerst zijn eigen typische stijl, waarin hij op vrij directe manier traditionele Ierse folkelementen combineert met een toegankelijke, poppy singer-songwriterstijl. Het album bevat voornamelijk songs over zijn ervaringen in New York,  maar evenzeer autobiografische songs over zijn jeugd in Ierland. Het mooiste voorbeeld is The Man is Alive, een typische Ierse, melancholische en vertellende song over de dood van zijn vader nauwelijks anderhalf jaar na zijn geboorte en over hoe de plaatselijke gemeenschap in zijn geboortestad Newbridge het gezin Moore in de nasleep daarvan ondersteunde. Het nummer is één van de vroege standaardsongs van de vernieuwde Luka Bloom. De rest van de songs op Riverside balanceren tussen die weemoedige stijl (Dreams in America, Gone to Pablo, de vooruitgeschoven single Rescue Mission, Hudson Lady) en meer opgewekte, uptempo songs (in opener Delirious, Over the Moon, de romantische fantasie van Irishman in Chinatown, You Couldn’t Have Come at a Better Time). Als geheel vormt het een sterk, gepassioneerd album, waarop Luka Bloom de grenzen van de Keltische folk weerlegt, vernieuwt en naar een groter publiek tracht te brengen. Daar slaagt hij gedeeltelijk in: Riverside wordt in Europa een bescheiden succes, voornamelijk in Ierland, het Verenigd Koninkrijk, Nederland en België en waar veel van de songs uit het album tot op heden tot favorieten van fans uit groeien bij concerten. Het album faalt echter in zijn opzet tot doorbraak in de VS, waar Bloom op dat ogenblik reeds drie jaar woont en ontzettend veel heeft opgetreden. De definitieve verovering van het oude continent wordt twee jaar later verder gezet met het erg succesvolle album The Acoustic Motorbike, dat qua stijl verder borduurt op de sound van de voorganger en tot op heden zijn grootste commerciële succes wordt. In datzelfde jaar 1992 maakt Bloom indruk door helemaal solo de festivalweides van Torhout en Werchter stil te krijgen en smeedt hij voor eeuwig een band met ons land. Hij slaagt er echter opnieuw niet in om Reprise Records’ hoge verwachtingen in te lossen in de VS en wordt eind 1992 ontslagen bij het label. Enkele jaren later verhuist hij opnieuw en definitief terug naar Ierland, alwaar hij op succesvolle wijze zijn carrière verder zet.

 

 

 

Joy Division: “Closer” (1980)

Joy_Division_Closer

Tragisch einde aan een veelbelovende carrière

Dag op dag veertig jaar geleden verhing Joy Division-frontman Ian Curtis zich op amper 23-jarige leeftijd in zijn keuken in Macclesfield. Met zijn zelfmoord kwam er een tragisch einde aan wat een beloftevolle carrière leekt te worden en groeide Curtis onbedoeld en ongewild uit tot een boegbeeld van de wat duistere new wave/post-punkbeweging. Zijn dood luidde eveneens het einde in van Joy Division, de band die aan het eind van de jaren ’70 en begin van de jaren ’80 op de rand van de grote doorbraak en absoluut sterrendom stond.

Het fundament van de band Joy Division wordt in juli 1976 gelegd, wanneer jeugdvrienden Bernard Summer en Peter Hook een concert van Sex Pistols bijwonen in Manchester. Het inspireert beide jonge mannen om samen een band op te richten. Terry Mason, een kerel die ze op het concert hadden ontmoet, wordt aangesteld als drummer. Voor de rol van zanger plaatsen ze een verzoeknota in de plaatselijke Virgin Records platenwinkel. Ian Curtis, een wat schuchtere jongeman uit Salford, een buitenwijk van Manchester, is de eerste die reageert en maakt zulke grote indruk op het trio dat ze prompt de rest van de audities annuleren. Het viertal kiest de naam Warsaw (verwijzend naar de David Bowie-song Warszawa) als oorspronkelijke bandnaam en speelt zijn eerste concert eind mei 1977 als support act voor de plaatselijke punkrockhelden van Buzzcocks. Geïnspireerd door de eerste Britse punkgolf, hanteert de band aanvankelijk een rauwe, agressieve stijl en nemen ze in de zomer van 1977 vijf demo’s op in de Pennie Sound Studio in Oldham, die echter nooit gepubliceerd worden. Niet veel later verlaat Mason de band en wordt vervangen door Stephen Morris, een oud-schoolkameraad van Curtis en lijkt de band echt vorm te krijgen. Om verwarring te vermijden met de Londense punkband Warsaw Pakt, verandert het kwartet begin 1978 de naam in Joy Division, een verwijzing naar de gedwongen strafkampbordelen van de nazi’s tijdens de tweede wereldoorlog. Met de naamsverandering schuift de stijl van de band geleidelijk aan meer op richting post-punk en new wave. Later dat jaar verschijnt met An Ideal For Living Joy Division’s debuut-EP.

In september 1978 maakt de band zijn televisiedebuut met het nieuw geschreven Shadowplay in een show die gepresenteerd werd door de gekende BBC-presentator Tony Wilson. De band had op Wilson zulke indruk nagelaten dat hij hen prompt tekent bij zijn onafhankelijke label Factory Records. In april 1979 neemt Joy Division in de Strawberry Studio in Stockport in nauwelijks drie weken hun debuutalbum op. Dat verschijnt in juli van datzelfde jaar bij Factory Records onder de titel Unknown Pleasures en wordt voornamelijk in het thuisland een bescheiden succes, mede door positieve kritieken en een uitgebreidere promotietour. Door de aanvankelijk laag ingeschatte oplage, verkoopt het album in zijn eerste maanden meermaals uit en is de vraag ernaar groter dan dat de persing ervan kan bijhouden. Hierdoor is het album in de tweede helft van 1979 meermaals onverkrijgbaar, tot grote frustratie van de bandleden, die in het najaar een succesvolle nationale tour ondernemen als support act voor Buzzcocks. Uiteindelijk zal het album tegen eind november 1979 wel een slordige 15 000 keer over de toonbank gaan in de UK, maar slaagt het er desondanks niet in om een notering te versieren in de Britse albumhitlijsten. Over het werkstuk laten de verschillende bandleden zich achteraf gemend uit. Curtis en Morris uiten hun bewondering voor de productie en zijn tevreden met het eindresultaat. Hook van zijn kant, is echter ontgoocheld. Volgens hem heeft producer Martin Hannett te ijverig de scherpe kanten uit hun sound gevijld en slaagt de plaat er niet in om de rauwe livesound van de band te vertalen naar de studioversie van Joy Division. In een interview uit 2006 nuanceert hij eerder en erkent hij dat Hannett medeverantwoordelijk is voor de definiëring van ‘the Joy Division sound’.

Het bescheiden nationale succes waait in de begindagen van een nieuw decennium over naar de rest van Europa, waar de band in januari en februari 1980 een eerste continentale tour onderneemt. Tijdens die intensieve tour begint Curtis meermaals met zijn gezondheid te sukkelen. Niet enkel eist zijn epilepsieaandoening, waaraan hij sinds jonge leeftijd leidt, een steeds hogere tol, daarnaast kampt hij ook met prille huwelijksproblemen en depressies allerhande. Het stelt hem slechts met mondjesmaat in staat om te presteren volgens zijn eigen hoog gelegde lat, wat de persoonlijke frustraties enkel verhoogt en voor spanningen zorgt binnen de band. Desalniettemin neemt Joy Division in maart 1980 opnieuw in recordtempo een tweede full album op. De band dient in de vroege lente echter enkele shows in het Verenigd Koninkrijk te annuleren door de groeiende bezorgdheid omtrent de lichamelijke en geestelijk gezondheid van Curtis. Desondanks wijzigt de band de plannen voor een eerste Noord-Amerikaanse tour, die gepland staat voor mei, niet. Curtis, die intussen met ernstige huwelijksproblemen kampt, verkiest aanvankelijk om thuis in Macclesfield te blijven om zijn huwelijk alsnog te redden en de band slechts enkele dagen later achterna te reizen. Zo ver komt het uiteindelijk niet: op 18 mei 1980 pleegt hij thuis zelfmoord. Curtis moet op dat moment nog 24 worden. Ironisch genoeg zal hij de grootste successen van zijn band niet meer meemaken. De non-albumsingle Love Will Tear Us Apart, die in juni 1980 verschijnt, wordt de band’s grootste hit en bekendste nummer. Een maand later besluiten de overige bandleden om het tweede album Closer alsnog uit te brengen. Het album zal uiteindelijk pieken op een zesde plaats in de Britse albumhitlijsten en verwerft tegen het einde van het jaar een gouden status in het Verenigd Koninkrijk.

Closer benadert meer dan het debuut de rauwe livesound van Joy Divison en is grofweg onder te verdelen in twee stijlen. Songs als Atrocity ExhibitionPassover, Heart and Soul en Twenty Four Hours drijven op een meer gitaargeoriënteerde post-punksound, terwijl in songs als Isolation (later gecoverd door de Noord-Ierse alternatieve rockband Therapy?), The Eternal en slotnummer Decades door het gebruik van synthesizers en elektronische drums meer new wave-invloeden binnensluipen. De productie was, ondanks de verdeeldheid binnen de band, opnieuw in handen van Martin Hannett, wiens werk door critici sterk geprezen werd. Desondanks is Peter Hook ook dit maal sterk ontgoocheld, vooral over de rauwere gitaarsongs, die grotendeels werden gemixt op een dag dat hij niet in de studio aanwezig zou geweest zijn. De reacties op het album zijn echter unaniem lovend en Closer groeit snel uit tot een standaardwerk binnen de post-punk en de new wave. Tegelijk geeft de plaat een duidelijke inkijk over de richting waarin de overgebleven bandleden hun muzikale carrière uitsturen post-Joy Divison. Met respect aan het pact dat de band in zijn vroege dagen sloot om de band te ontbinden van zodra één van de bandleden om welke reden ook weg zou vallen, doeken Hook, Summer en Morris in de weken na de dood van Curtis de band op. Het is echter niet het einde van hun muzikale carrière. In de zomer van 1980 vormt het trio samen met Gillian Gilbert de band New Order en groeien ze uit tot één van de pioniers van de synthpop en dancerock.

 

 

 

Amon Tobin: “Supermodified” (2000)

Amon_Tobin-Supermodified

Commerciële doorbraak

Soms haalt de muzikale tijdlijn je sneller in dat je zelf beseft. Dat vandaag precies twintig jaar geleden Amon Tobin’s vierde studioalbum Supermodified gereleaset werd, verraste ons bijzonder, niet alleen omdat we plots beseften dat er twee muzikale decennia voorbij gevlogen zijn sinds die release, maar vooral ook omdat het album vandaag de dag nog steeds bijzonder fris en actueel klinkt.

Dat Amon Tobin binnen de elektronica van eind jaren ’90, begin jaren ’00 één van de meest veelzijdige artiesten is/was, is een open deur intrappen. De Braziliaanse producer/componist/muzikant/DJ liet al op zijn vroege releases (zoals zijn onvolprezen tweede album Bricolage uit 1997) een gevarieerd en rijk klankenpalet aan invloeden horen, die hem tot één van de beste artiesten van zijn generatie maakten. Albums groeiden uit tot auditieve ontdekkingstochten, liveshows tot totaalspektakels en Tobin  zelf was jarenlang het absolute uithangbord van Ninja Tune Records, een onafhankelijk Londens platenlabel dat zich in de loop der decennia opgeworpen heeft als één van de vaandeldragers van een gevarieerd aanbod aan elektronische muziek. Beiden namen zijn vanaf de late jaren ’90 en bijna de gehele jaren ’00 ontegensprekelijk aan elkaar verbonden. Wanneer Ninja Tune in 2000 zijn tiende verjaardag viert, levert Tobin hen met zijn vierde album Supermodified een onvolprezen verjaardagsgeschenk af: de plaat luidt namelijk voor zowel Amon Tobin zelf als voor het label de definitieve doorbraak in.

Op Supermodified, dat midden mei 2000 verschijnt bij Ninja Tune en waarvan de titel volgens Tobin een samentrekking is van ‘de kunst van verandering’ en ‘verder, meer, naar een ander niveau’, gaat hij nog verder in zijn drang naar experiment en stijlenvermenging dan op zijn voorafgaande releases. Gedurende een dik uur swingt hij tussen funky breakbeats (in opener Get Your Snack On), een kruising tussen triphop en samba (in het toepasselijk getitelde Slowly), drum & bass (in Golfer vs. Boxer en Rhino Jockey), jazzy elektronica (in tracks als Precursor, Chocolate Lovely en afsluiter Natureland) en een mix van folk, triphop en drum & bass (in Deo). Die kruisbestuiving aan stijlen, maakt van Supermodified een uiterst gevarieerd en onderhoudend album, met een sterk bombastisch, orkestraal en filmisch karakter. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat verschillende tracks uit het album terug te vinden zijn in soundtracks van diverse films of gebruikt werden voor commercials, promotiefilmpjes en/of animatiereeksen. In die zin is het album eveneens een baanbrekend werkstuk en een invloed op diverse artiesten van allerlei pluimage, zoals onze eigen Buscemi.

De reacties op Supermodified zijn unaniem lovend. Het album luidt eveneens Tobin’s commerciële doorbraak in en wordt in Europa Ninja Tune’s meest verkochte album tot dan toe. Voor Tobin is het de inleiding tot een zeer succesvol decennium, waarin hij uitgroeit tot een gereputeerde DJ, producer en visueel artiest. Vandaag de dag is hij nog steeds actief, zei het minder productief dan in zijn beginjaren en maakt hij nog steeds erg gevarieerde en boeiende muziek.

 

 

 

 

U2: “The Unforgettable Fire” (1984)

The_Unforgettable_Fire

Briljante overgangsplaat

Vandaag dag op dag zestig jaar geleden werd in het Rotunda Hospital in Dublin Paul David Hewson geboren. Zestien jaar later, amper twee jaar nadat hij als veertienjarige tiener voortijdig zijn moeder verloor, reageert hij samen met de broers David en Dik Evans en Adam Clayton op een verzoek op het prikbord van Mount Temple Comprehensive School in Dublin van een piepjonge drummer met de naam Larry Mullen met de vraag om een band te vormen. Na een aantal naamsveranderingen, gaat de band vanaf de herfst van 1978 als U2 door het leven. Dik verlaat de band en wordt medeoprichter van Virgin Prunes, zijn broer David neemt de artiestennaam The Edge aan en van zijn oude jeugdvriend Gavin Friday krijgt Hewson het pseudoniem Bono Vox (later simpelweg afgekort tot Bono) aangemeten. De rest is geschiedenis. Naar aanleiding van Bono’s zestigste verjaardag focussen we vandaag op het enige meesterwerk van de band dat hier in deze kolommen nog niet aan bod is gekomen: hun vierde album en briljante overgangsalbum The Unforgettable Fire.

Na de release van U2’s internationale doorbraakalbum War in februari 1983, volgt een intensieve wereldtournee waarmee het kwartet zichzelf manifesteert als één van de beste livebands van zijn generatie. Wanneer die tour na bijna een jaar van onophoudelijk op de baan zijn, eind november 1983 eindigt in Japan, heeft die de nodige energie uit het nog zeer jonge kwartet gezogen en is het tijd om een langere rustperiode in te lassen. Die break neemt het viertal niet enkel om opnieuw op krachten te komen, maar evenzeer om te bezinnen over de richting waarin de individuele leden de band vervolgens willen uitsturen. U2’s opmars naar absolute wereldfaam was namelijk zeer snel gegaan: op amper een kleine drie jaar had de band met drie gelijkaardige albums (Boy uit 1980, October uit 1981 en War uit 1983) zich een weg naar de hitlijsten en sterrendom gebaand, leunend op een sterk gitaargetint post-punkgeluid. Na de uitputtende War Tour vreesden de leden dat U2 een zichzelf herhalende karaokeband zou worden en wilden ze voor het volgende album het roer radicaal omgooien. In maart 1984 komt de band voor het eerst opnieuw bij elkaar voor repetities en begin mei van datzelfde jaar starten de definitieve opnames van wat hun vierde studioalbum zal worden. Om de ambities omtrent een koerswijziging kracht bij te zetten, kruipt het viertal helemaal uit de comfortzone: U2 kiest Slane Castle uit voor de opnames, in plaats van de vertrouwde Windmill Lane Studio in Dublin en verkiest om deze keer niet samen te werken met de Britse producer Steve Lillywhite, die achter de knoppen zat bij hun eerste drie albums. In plaats daarvan gaan ze aan de slag met het duo Daniel Lanois en Brian Eno. De Canadees Lanois is in die periode een nog vrij ongekende factor, maar de Brit Eno, die de band gevraagd heeft om een ruime sfeerschepping, een abstractere sound en zijn neus voor de juiste arrangementen op het nieuwe album uit te werken, had al een behoorlijke reputatie. Niet enkel als muzikant (waaronder zijn rol als stichtend lid van Roxy Music), maar voornamelijk als producer van onder andere David Bowie en Talking Heads. Vooral zijn werk met laatstgenoemden was een reden voor U2 om hem te contacteren.

The Unforgettable Fire, de albumtitel verwijst naar een tentoonstelling over de atoombom op Hiroshima die Bono en The Edge in die periode bezochten, verschijnt begin oktober 1984 bij Island Records en is een vrij radicale breuk met het harde, post-punk gitaargeweld van War. Het album baadt in meer atmosferische songs, met een duidelijk toegenomen rol voor synthesizers en strijkersarrangementen dan op het voorafgaand werk. Het album herbergt overduidelijk de stempel van beide producers, in enerzijds het meer onconventioneel materiaal waarin de band zijn comfortzone verlaat (wat duidelijk neigt naar Eno) en anderzijds de duidelijk herkenbare stijl van de ‘rockband’ U2, zoals die onder andere te horen is in de vooruitgeschoven single Pride (In the Name of Love), die een maand voor het album verschijnt (en meer de stempel van Lanois draagt). Het resultaat is een album waarop U2 op briljante wijze een nieuwe weg inslaat en de eigen post-punkroots overstijgt. Tegelijk laat het album al een aantal uitstekende fragmenten horen van het grootste stadiongeluid dat ze in de daaropvolgende jaren verder zullen perfectioneren, zoals in het eerder genoemde Pride (In the Name of Love), de majestueuze opener A Sort of Homecoming, het formidabele titelnummer, afsluiter M.L.K. (naast de single het tweede nummer dat U2 opdraagt aan Martin Luther King) en het onvolprezen Bad, een machtige song over heroïnemisbruik in de straten van Dublin en in de loop der jaren uitgegroeid tot één van de publiekslievelingen onder U2-fans. Maar ook wanneer U2 de grootste arrangementen en sfeerschepping achterwege laat, komt het met ander en beter materiaal op de proppen. Zo lijkt de song Promenade in eerste instantie een beetje als een niemendalletje voorbij te wandelen, maar met elke luisterbeurt groeit de song tot één van de beste nummers op het album.

De reacties op The Unforgettable Fire zijn grotendeels positief. Gereputeerde muziekmagazines als NME, Melody Maker en Q prijzen U2 voor de nieuw ingeslagen weg en het lef om te durven veranderen. Het grote Rolling Stone is echter verdeelder en vertaalt de stem van een minderheid van de fans van het eerste uur dat U2 de eigen roots zou verloochenen voor een grootser, meer commercieel geluid dat hen minder zou liggen. De perceptie omtrent het album zal in de loop der jaren wel vaker worden aangepast en vandaag wordt het algeheel beschouwd als de schakelplaat tussen de wilde, harde gitaarplaten van de beginperiode en de grote stadionband die U2 vanaf opvolger The Joshua Tree wordt. Sommige critici bestempelen het als de plaat waarop U2 definitief zijn eigen geluid lijkt te vinden, een mening waar veel voor te zeggen valt. Persoonlijk staat het album in mijn top-3 van favoriete U2-albums, omwille van de grote dosis aan prachtsongs, die het potentieel van een wereldband in wording laten horen. Commercieel wordt het album een stevig succes, met 3 miljoen verkochte exemplaren in de VS (waar de band definitief doorbreekt), goed voor driedubbel platina en 600 000 verkochte exemplaren in het Verenigd Koninkrijk, goed voor dubbel platina. Tegelijk is het album eveneens het startpunt van een uiterst succesvolle samenwerking tussen U2 en het duo Brian Eno/Daniel Lanois, die bij de opnames van hun beste albums als The Joshua Tree (1987), Achtung Baby (1991) en All That You Can’t Leave Behind (2000) eveneens achter de knoppen zullen zitten. Ter promotie onderneemt U2 een grote wereldtournee over zes delen, die begint in Australië in augustus 1984 en eindigt met de grote zomerfestivals in juli 1985, waaronder Torhout/Werchter en hun inmiddels befaamde doortocht op Live Aid. Begin 1987 brengt U2 opvolger The Joshua Tree uit en wordt het één van de meest succesvolle bands van zijn tijdsgeest.